Goede Vrijdag: Het begin van de strijd
Zo werd het 30 maart 1945, Goede Vrijdag. Het granaatvuur werd zo hevig dat we ons alleen in de kelder nog veilig voelden. Om ongeveer 13.00 uur kregen we in de gaten dat er brand op De Milt was. We zagen een aantal boerderijen in lichterlaaie staan. Het bleek achteraf dat eraan het begin van De Milt een Canadese brencarrier was beschoten met een Panzerfaust.

De Canadezen vermoedden dat de Duitsers zich hadden verschanst in de boerderijen, en vandaar dat er een vlammenwerper werd ingezet. Dat betekende dat de boerderijen van Van Raay, Beekman, Ketelaar, de weduwe Maatman en Peppelman binnen korte tijd tot de grond toe afbrandden. Het vee kwam om of liep zware brandwonden op.
Gelukkig konden alle gezinnen zich redden, hoewel soms ternauwernood. Er zaten overigens geen Duitsers in die boerderijen. Het waren vermoedelijk drie jonge Duitse soldaten — ik denk Hitlerjongens — die ik over de akkers zag komen aanhollen uit de richting van de brand. Zij kwamen langs onze boerderij, pikten van een passant het melkwagentje mee en verdwenen in de richting van de Duitse linie, die ongeveer 250 meter verderop lag. Naast ons huis lag een pantservuist die ze daar blijkbaar hadden achtergelaten. Het in brand steken van de boerderijen was derhalve zinloos geweest. Bernard is nog wezen kijken of hij kon helpen, maar er was niets meer te redden.
De familie Vink-Maatman kwam vervolgens naar onze boerderij gevlucht. Zij vertelden dat ze in de kelder van hun boerderij hadden gezeten, samen met de buren, Peppelman en zijn vrouw. De brand had zich bliksemsnel verspreid. Ze waren die kelder uit gevlucht, terwijl ook de koeien, die zich hadden weten los te rukken, door de gang van het huis naar buiten renden. De zoon van Maatman en Peppelman kon de keldertrap al niet meer op vanwege de vuurzee. Peppelman, een potige kerel, wist toen met een moker de spijlen uit het kelderraam te rammen, zodat ze alsnog konden ontsnappen.
Oog in oog met de Cameron Highlanders
Zo hadden wij er drie mensen bij in onze kelder, inclusief de baby van de familie Vink (die immers nog niet zo lang geleden was gedoopt). Het was inmiddels rond 17.00 uur toen we hoorden dat er een ruit van de boerderij werd ingeslagen. Bernard ging kijken en toen hij de deur opendeed, stond hij oog in oog met Canadese infanteristen van The Queen's Own Cameron Highlanders of Canada, met het geweer in de aanslag. Ze kwamen meteen naar binnen die gang in, waar een van de Canadezen riep:
“Are there Germans here, boys?”
Ik riep vanuit de kelder: “No!”, en stoof de trap op. Ik omhelsde de soldaat en zei: “There are no German soldiers here, only civilians.” Hij ging toch voorzichtig de kelder in, waar de oude Maatman riep: “Welkom, welkom!” Dat waren emotionele momenten. Het huis was meteen vol met Canadezen, die posities innamen achter de vensters in de woonkamer en ook boven op de slaapkamers. Ze lieten beneden het rolgordijn een eind zakken om de inkijk te beperken, schoven het raam omhoog en zetten de mitrailleurs op de vensterbank. Het werd een vuurgevecht met de Duitsers, die zich hadden ingegraven bij een boerderij zo'n 250 meter verderop. Op een gegeven moment moest de baby eten hebben en moest ik in de woonkamer suiker halen.
Toen ik daar binnenkwam, riep een van de Canadezen bij het raam: “Go downstairs like greased lightning!” Ik maakte me met de bus suiker gauw uit de voeten; het was natuurlijk ook levensgevaarlijk. In de muur zaten platgeslagen Duitse kogels. Vanuit het kelderraam zag ik in het gras rookpluimpjes, kennelijk van fosforkogels.

De avond en de inslagen
Ik denk dat het ongeveer 19.00 uur was toen er een hevige explosie volgde. Door de enorme luchtdruk kreeg je een harde dreun op je hoofd. We hoorden dakpannen, glas en stukken steen naar beneden vallen. Meer explosies volgden. Bernard zei: “Laten we maar bidden,” waarna het Onze Vader weerklonk. De granaten werden afgevuurd door de Duitsers vanaf de boerderij waar een gemotoriseerd kanon stond. Ze troffen het dak op de scheiding van de keuken en de woonkamer, de voorgevel, het kippenhok, the schuur en de wagenloods. Direct daarna verlieten de Canadezen de boerderij binnen een mum van tijd, waarbij ze hun ransels en andere spullen achterlieten.
Er bleken twee gewonden te zijn. Eén Canadees kwam strompelend de kelder in en viel neer op een matras. Ik was de enige die wat Engels sprak. Hij zei dat hij gewond was aan zijn rug. Ik maakte zijn battledress los; achter in zijn rug stak een granaatscherf die muurvast zat. Op zijn helm zat een noodverband onder het camouflagenet. Dat heb ik erop gelegd, maar dat was natuurlijk met recht een doekje voor het bloeden. We hadden ook nauwelijks licht in de kelder. Ook boven lag een soldaat, die zwaargewond was aan zijn been. Bernard en Jan Vink hebben hem geholpen. Ze hebben hem op stro gelegd en hij had ook morfine bij zich. Die nacht hebben we nauwelijks geslapen.
De Canadees in de kelder vroeg, dacht ik, om een dokter, maar toen ik zei: “You mean the Red Cross?”, zei hij: “No,” en ik dacht te verstaan: “My daughter.” Hij zakte weg en raakte buiten bewustzijn. Hij verloor veel bloed.
Boven riep de gewonde om water. Ik ben in het stikdonker naar boven gegaan. Je wist immers niet of de Moffen weer waren teruggekomen. Ik moest in de keuken, waar je nauwelijks kon lopen van al het puin, water pompen, maar die zwengel piepte zo in de nachtelijke stilte. Ik heb die Canadees in ieder geval kunnen laven. Leo van Tol en ik moesten ’s nachts ook nodig plassen. Maar helemaal de deel over naar de wc durfden we niet, zodat we het maar om de hoek van de deur deden. Dora dacht de volgende dag dat daar ook een gewonde bloed verloren had!
Paaszaterdag: De tol van de strijd
Bij het ochtendgloren, om 5.30 uur, kwamen Canadese Rode Kruissoldaten de gewonden ophalen. Of ze het er levend afgebracht hebben, vraag ik me af. We konden toen naar buiten op deze paaszaterdag. Buiten lag bij het washok een gesneuvelde Canadees. Hij was in de borst geraakt; naast hem lag een leeg aantekenboekje en een potlood. Veel later bleek het om Charles Joseph Younes te gaan.
In de schuur ontdekte ik ook een dode Canadees in een plas bloed. Aan het bloedspoor zag ik dat hij aan de zijkant van de schuur was geraakt. De Duitsers hadden schuin vóór onze boerderij nog een mitrailleurnest gegraven. Gewond aan zijn nek was deze soldaat nog de schuur ingelopen en daar achterover gevallen, met zijn geweer nog in zijn handen. Achteraf bleek dit te gaan om soldaat John Graham MacFie. Zijn kameraad, soldaat Edwin John Strachan, beschreef later aan zijn zoon wat er die dag gebeurde bij de bevrijding van Netterden en De Milt:
“Plots sprong MacFie op en rende naar een kleine schuur aan de rechterkant van de weg (kijkend naar het dorp). Ik volgde zonder na te denken, net als twee anderen van mijn sectie. De rest van het peloton zocht zijn toevlucht in een schuur aan de linkerkant van de weg. Bij aankomst achter de schuur kreeg ik te horen dat John door een sluipschutter in zijn keel was geraakt. Het was vreselijk om te zien hoe hij door al het bloed in zijn keel niet meer kon ademen en langzaam stikte. We konden niets voor hem doen en hij stierf ter plaatse aan zijn verwondingen. Ik zal die dag van hevige gevechten nooit meer vergeten. We konden niet langer in de greppel blijven liggen en moesten kost wat kost verder. Als ik eerder dan John uit de greppel was gesprongen, had de sluipschutter mij waarschijnlijk te pakken genomen. Ik herinner me John als een trouwe en dappere strijdmakker. Hij liet een vrouw en zes kinderen achter…”
De schade aan de boerderij was aanzienlijk. Een groot aantal kippen had de granaatinslag niet overleefd en ook de beste melkkoe, die de Canadezen naar buiten hadden gebracht, was door de Duitsers in de schemering kennelijk voor de vijand aangezien. De koe lag daar naast een granaatkrater. Bernard en ik hebben haar daar begraven. Er waren daar nog diepere gaten omdat een bommenwerper in januari zijn bommenlast daar blijkbaar had moeten achterlaten.

De nasleep en brencarriers
De Canadees die ik het eerst had ontmoet, kwam op de terugweg van het front bij Varsselder nog even langs. Hij vertelde, terwijl hij op zijn geweer klopte, dat hij twee Duitsers te grazen had genomen. Ik mocht hem helpen bij het leeghalen en weer vullen van de magazijnen van zijn stengun. In de loop van de morgen kwam een jeep met een officier en een bewaker. Ik heb hen meegenomen naar de schuur — de soldaat met het geweer in de aanslag — om hen de gesneuvelde soldaat te wijzen. Twee andere Canadezen ondervroegen mij over wanneer de Duitse beschieting was begonnen. Ik zei: “At seven hours,” waarop een van hen zei: “He means seven o'clock.” ’s Middags arriveerde een aantal brencarriers die bij onze boerderij halt maakten.

Eén carrier wilde parkeren naast de achterkant of de boerderij, maar daar lag de gierkelder, die onder het gewicht van het rupsvoertuig bezweek. De carrier stond zo weer op het droge, maar er was een flink gat ontstaan. Aan het einde van de middag vertrokken ze weer. Dit bezoek was bij de Moffen blijkbaar niet onopgemerkt gebleven, want aan het begin van de avond kwamen we plotseling weer onder vuur te liggen. We doken direct weer de kelder in. Het washok werd doorzeefd en er was weer glasgerinkel. We hadden juist de boel weer wat op orde gebracht en het puin geruimd. De mat uit de kamer lag nog buiten op de heg van de hof; die moest eigenlijk naar binnen, maar mij kregen ze niet zo gek om mijn hachje te wagen voor een dooie mat.

Op deze locatie kregen de volgende Canadese soldaten hun veldgraf:
Niet zichtbaar op de foto: 1. Anton William Kohlruss, 2. Ivan Rayburn Nilsson, 3. Francis Walter Andrew Glossop
Zichtbaar op de foto :
4. Roland Alfred Barry. 5. Jacques Fortin, 6. Alphonse Robert, 7. Edmond Coulombe, 8. John Graham MacFie, 9. Charles Joseph Younes, 10. Vincent Albert Moore, 11. Frederick Lissoway, 12. Rocco Andrew Speziali, 13. Harry Gregory Bozak, 14. Edward Oliver Oberg, 15. Bertrum Joseph Thomas, 16. William Sernowski, 17. Ernest George Graham, 18. Peter Hydichuk


Historisch overzicht van de buurtschappen
Uit een historisch verslag van de buurtschappen over de materiële en menselijke tol nog het volgende fragment:
De schade aan de huizen was dan ook enorm groot. Toen de Duitsers op De Milt nog tegenstand boden, werden de hier staande boerderijen stuk voor stuk in brand geschoten door de vlammenwerpers. H.J. van Raay, B.J. Beekman, A.J. Ketelaar, de weduwe J. Maatman en H.J. Peppelman verloren hun gehele bezit. Zeer vele Duitsers, vooral Oostenrijkers, gaven zich nu over en staakten de strijd. Dit was een geluk voor Varsselder-Veldhunten dat, behalve door beschadiging van granaattreffers, geen verdere schade opliep. De felheid van de strijd verminderde sterk. De Duitsers waren algemeen op de vlucht.
Gezien de felheid van de gestreden strijd is het een wonder dat er onder de burgerbevolking van de vijf buurtschappen geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Wel werden enige personen gewond, maar deze zijn spoedig weer genezen. Minder gelukkig was de 18-jarige Johannes Holterman uit Dichteren, die ten gevolge van het exploderen van een handgranaat op het erf van H. Ketelaar de dood vond. Hoewel vele inwoners alles hadden verloren en veelal niets meer bezaten dan wat zij om het lijf droegen, was toch de vreugde om de herwonnen vrijheid groot. Paaszaterdag ’s ochtends bleek ook Varsselder-Veldhunten geheel door de Canadezen te zijn bezet.
Toch was het gevaar nog niet geweken, want af en toe sloeg nog een Duitse granaat in, die nabij café “De Vlijt” van Lukassen nog drie Canadese soldaten doodde. Het bleek dat in verhouding met Wals-Wieken en De Milt, Varsselder-Veldhunten het er nog genadig had afgebracht. Ondanks het feit dat rondom nog gevechtshandelingen plaatsvonden, werden op deze paasdag terstond maatregelen genomen om de kerk zo goed en zo kwaad als dit ging van puin te ontruimen. Zo kon op eerste paasdag toch nog een heilige mis uit dankbaarheid gelezen worden.


Samenstelling en redactie gebaseerd op de egodocumenten en herinneringen van de lokale gemeenschap en Canadese veteranen.

Edwin John Strachan meldde zich in 1944, op 18-jarige leeftijd, bij de Canadese strijdkrachten in Winnipeg. Hij diende in de Tweede Wereldoorlog bij de Queen’s Own Cameron Highlanders of Canada en raakte gewond tijdens de bevrijding van Nederland. Edwin John Strachan overleed op 27 april 2011 in Kelowna, op 85-jarige leeftijd
Bron:
Maarten Koudijs
Ecal Doetinchem
Met dank aan :
Bert Greep en Elsie Greep
IWM
https://www.dignitymemorial.com/obituaries/kelowna-bc/edwin-strachan-4653279
Evie Koolenbrander














.jpg)











.png)


















