Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette de Britse Royal Air Force (RAF)de Handley Page Hampden in als middelzware bommenwerper. Samen met de Whitley en de Wellington vormde dit toestel de ruggengraat van de eerste geallieerde luchtaanvallen op Duitsland. De Hampden werd aangedreven door twee Bristol Pegasus XVIII-motoren van elk 1000 pk, waarmee het toestel een topsnelheid van 406 km/u bereikte. Hoewel deze bommenwerper snel en wendbaar was – bewapend met zes 7,7 mm mitrailleurs en een bommenlast van 1814 kg of één torpedo – bleek hij in de praktijk overdag niet opgewassen tegen de Duitse Luftwaffe-jagers zoals de Me 109 en de FW 190.
Hierdoor werd de Hampden al snel hoofdzakelijk ingezet voor nachtelijke bombardementen. De standaardbemanning bestond uit vier personen: een piloot, een navigator/bommenrichter, een radio-operator en een staartschutter.

De fatale missie
In de avond van 5 augustus 1941 stegen 65 Wellingtons en 33 Hampdens op van verschillende Britse vliegvelden. Hun doel die nacht: een gezamenlijke aanval op strategische doelen in de Duitse steden Mannheim en Ludwigshafen. Vanaf het vliegveld Coningsby vertrok om 22:25 uur de Handley Page Hampden AE120 (codering ZN-) van het 106e Squadron.
De bemanning bestond uit vier jonge mannen:
RNZAF-Sgt. William Leslie Knowles – Piloot en gezagvoerder
RAF-Sgt. James Melven MacIlwraith – Navigator/Bommenrichter
RAF-Sgt. Alexander Philip Price (DFC) – Radio-operator/Boordschutter
RAF-Sgt. Cecil Lionel Rhodes–Boordschutter



Sgt. Price was drager van het prestigieuze Distinguished Flying Cross (DFC).
Deze hoge militaire onderscheiding werd op 3 juni 1918 (de verjaardag van koning George V) ingesteld en uitgereikt aan officieren en onderofficieren voor uitzonderlijke daden van moed, dapperheid en plichtsbetrachting tijdens actieve vliegoperaties tegen de vijand.
Hoewel de officiële rapporten achteraf spraken van een succesvolle missie met goede bombardementsresultaten, keerde een aantal toestellen niet terug. Van de 98 ingezette vliegtuigen gingen twee Wellingtons en één Hampden verloren. Die bewuste Hampden was de AE 120. Boven het grensgebied werd het toestel dodelijk getroffen door Duits afweergeschut (Flak).
Het ooggetuigenverslag van buurman Gerard Lubbers
Wat zich in de laatste minuten aan boord heeft afgespeeld, bleef voor de buitenwereld onzichtbaar. Maar hoe het toestel zijn einde vond, stond de toenmalige overbuurman, G.M.J. Gerard Lubbers, nog helder voor de geest. Hij was destijds nog een kind en woonde met zijn ouders precies tegenover het gezin Lammers:

In de nacht van vijf op zes augustus 1941 werden we wakker van een laagvliegende vliegmachine. Het toestel raasde schijnbaar stuurloos rond en was vlak daarvoor ook al boven Varsseveld waargenomen. Met een geweldig lawaai scheerde de bommenwerper op nog geen drie meter afstand langs de boerderij van mijn ouders. Het vloog dwars door onze kastanjeboom heen naar de overkant van de weg, raakte daar een eikenboom en klapte toen vol boven op het huis van de familie Lammers. Een enorme explosie deed ons hele huis trillen. Toen ik door het slaapkamerraam keek zag ik een gigantische vuurzee; het hele huis aan de overkant stond in lichterlaaie. Het had heel weinig gescheeld of onze eigen boerderij was ook geraakt.

De buurman, Gerrit Jan Lammers en zijn vrouw Johanna Veldhorst slaagden er door pure doodsverachting in om door de vlammen heen hun twee oudste kinderen (van 18 en 13 jaar) uit de slaapkamer te halen en in veiligheid te brengen. De brand breidde zich echter zo razendsnel en hevig uit, dat het voor hen volstrekt onmogelijk was om de twee jongste kinderen nog te bereiken. De twee geredde kinderen werden direct bij ons opgevangen. Moeder Johanna Lammers was zwaar verbrand in haar gezicht en had derdegraads brandwonden. Mijn moeder heeft toen direct natte doeken over haar hoofd gelegd om de helse pijn enigszins te verzachten.
Die nacht werd ons huis een soort crisiscentrum; het was een constant komen en gaan van hoge ambtenaren en Duitse officieren. Toen het op die tragische woensdagmorgen licht werd, zagen we de enorme ravage. Grote afgebroken takken van onze kastanjeboom lagen voor de deur. Niet lang daarna werd de hele omgeving door de Duitsers hermetisch afgezet. Pas een paar weken later begonnen zij met het bergen van de grotere vliegtuigresten.
Tijdens het opruimen deed een broer van mij nog een bijzondere ontdekking:
hij vond een verbrand, gevlochten kooitje met daarin een eveneens verbrande duif. Aan de poot van de duif zat een kokertje met een bericht waaruit bleek dat het toestel al boven Wesel (Duitsland) door afweergeschut was geraakt. Elke bommenwerper had destijds zo'n postduif aan boord voor het geval ze in zee zouden storten.
Zelf vond ik een paar weken later in de directe omgeving van de crash nog een laars waar een voet in bleek te zitten. Omdat de geur vreselijk was, heb ik deze direct ter plaatse begraven.

Het officiële politierapport
De eerste ambtenaar die officieel poolshoogte nam, was de onbezoldigd Rijksveldwachter Hendrik Schildkamp. In het gemeentelijk politierapport van Gendringen noteerde hij die nacht het volgende:
Proces-verbaal
Op woensdag 6 augustus 1941, om 01:00 uur 's nachts, vernam ik, Hendrik Schildkamp, onbezoldigd veldwachter te Breedenbroek, gemeente Gendringen, dat er in Breedenbroek een brandend vliegtuig was neergevallen. Terstond heb ik mij naar de aangegeven plaats begeven, alwaar ik constateerde dat dit inderdaad het geval was. Het vliegtuig was terechtgekomen op een woonhuis (toebehorende aan en bewoond door G.J. Lammers te Groot-Breedenbroek no. 20), waaraan een meubelwerkplaats was aangebouwd. Bij mijn komst ter plaatse stonden zowel het woonhuis als de werkplaats al in brand. Het brandende vliegtuigwrak lag op zo'n dertig meter van het pand. Door de enorme hitte was het onmogelijk om het wrak dicht te naderen.
De heer G.J. Lammers en zijn echtgenote liepen in nachtgewaad om het brandende perceel. Van hen hoorde ik dat er nog twee van hun kinderen in het brandende huis waren; zij sliepen in een slaapkamer op de bovenverdieping. Door de hevige rook en het vuur was het echter onmogelijk om de woning noch te betreden. Van de ouders hoorde ik verder dat hun twee oudste kinderen wel tijdig uit de brandende woning hadden weten te vluchten. Onmiddellijk na deze waarneming heb ik via de telefoon van de luchtbeschermingscommandopost in Gendringen de burgemeester laten waarschuwen. Deze verscheen korte tijd later, vergezeld door enkele leden van de Duitse Wehrmacht.
Dokter I. de Keizer uit Dinxperlo, die eveneens ter plaatse was gekomen, heeft de ouders – die beiden gewond en totaal overstuur waren –opgevangen en overgebracht naar het ziekenhuis in Doetinchem. Inmiddels waren ook de brandweer van Breedenbroek en de motorbrandspuit uit Dinxperlo gearriveerd. Wegens een acuut gebrek aan bluswater kon men niet direct beginnen met blussen. Nadat werd vastgesteld dat er in een weiland in de omgeving een pomp stond, is de motorspuit uit Ulft daarop aangesloten. Helaas bleken het woonhuis en de werkplaats toen al vrijwel geheel uitgebrand. Duitse militairen die inmiddels waren gearriveerd, hielpen mee om het terrein af te zetten.
Nadat het vuur enigszins was geluwd, kon worden begonnen met het zoeken naar slachtoffers tussen de resten van het vliegtuig. Hierbij werden vier onherkenbaar verminkte lichamen van de Britse bemanning gevonden. Enige tijd later werden tussen de puinhopen van het woonhuis ook de stoffelijke overschotten gevonden van de twee jongste kinderen van het gezin Lammers. Het ging om Hendrik Lammers (geboren te Gendringen op 16 maart 1929) en Gerda Johanna Lammers (geboren te Gendringen op 25 januari 1937). De materiële schade was enorm. Er ging een grote hoeveelheid hout verloren en de machines van de meubelwerkplaats werden totaal vernield. Een houten loods waarin eveneens veel hout lag opgeslagen, bleef dankzij een gunstige windrichting gespaard

Identificatie en de nasleep
In de namiddag van donderdag 7 augustus 1941 trachtte Jan Jacob Antoon Marie Beaumont, de burgemeester van Gendringen en tevens hulpofficier van justitie, in samenwerking met officieren van de Duitse Wehrmacht het gecrashte vliegtuig officieel te identificeren en de identiteit van de vier omgekomen personen vast te stellen. Op verzoek van de Duitse Oberarzt die het medische onderzoek leidde, werd hiervoor een officieel rapport opgemaakt. De geborgen persoonlijke bezittingen werden veiliggesteld om via het Internationale Rode Kruis naar de nabestaanden te worden gezonden.
Tijdens dit onderzoek werden bij de lichamen de volgende spullen aangetroffen:
1. Sgt. William Leslie Knowles
Bij het eerste lichaam werd een identiteitsplaatje aangetroffen met de gravering: N.Z 402160 – Airman – W.L. Knowles – R.C. RNZAF. In zijn kleding vond men een sigarettenkoker met de initialen L.W.K., een kleine portefeuille met daarin vijftien briefjes van één pond en enkele postzegels. Daarnaast droeg hij een kruisje, twee medailles en delen van een rozenkrans bij zich.
2. Sgt. C. Rhodes
Bij het tweede lichaam werd een identiteitsplaatje gevonden met het opschrift: 1100 648 – COS – RAF – C. RHODES. Om een van zijn vingers zat een ring met de inscriptie HA 9375, gevolgd door enkele onleesbare tekens. Ook werd er een nagelvijltje in zijn zakken aangetroffen.
3. Sgt. Alexander Philip Price
In de vliegenierskap die bij het derde lichaam lag, stond in duidelijke blokletters de naam Sgt. Price geschreven. In zijn kleding trof men drie foto's aan en enkele visitekaartjes met verschillende namen erop.
4. Sgt. James Melven MacIlwraith
Bij het vierde lichaam werd aanvankelijk geen identiteitsplaatje of andere herkenbare bezittingen aangetroffen. Pas maanden later, op 2april 1942, kon na actieve bemiddeling van het Rode Kruis zijn identiteit officieel worden bevestigd.
Opdat Wij Niet Vergeten
Met de crash van de Hampden AE 120 voltrok zich in de vroege ochtend van 6 augustus 1941 een diep en gelaagd drama in Breedenbroek. Het eiste de levens van twee jonge, onschuldige kinderen uit het dorp en vier jonge bondgenoten die ver van huis vochten voor onze vrijheid.
Wij noemen hun namen met respect:
Hendrik Lammers (12 jaar)
Gerda Johanna Lammers (4 jaar)


Sgt.James Melven MacIlwraith (22 jaar) – Zoon van George Melven MacIlwraith en Catherine MacIlwraith Mahoney uit Cork, Ierland
Sgt. Cecil Lionel Rhodes (19 jaar) – Zoon van de heer en mevrouw H. Rhodes uit Newark, Nottinghamshire, Engeland.
Sgt.William Leslie Knowles – Zoon van Ellen Knowles uit Plymouth,Taranaki, Nieuw-Zeeland.
Sgt.Alexander Philip Price (23 jaar) – Zoon van Harry Price, drager van het Distinguished Flying Cross.
De veerkracht van de familie Lammers
Het verdriet en de materiële klap voor het gezin Lammers waren onbeschrijfelijk. Toch toonde vader Gerrit Jan Lammers een onvoorstelbare veerkracht. In de oorlogsjaren lukte het hem om met hard werken het verwoeste woonhuis en de meubelwerkplaats vanaf de grond toe weer volledig op te bouwen.

https://www.youtube.com/watch?v=ZuFBUqST_uQ
Bron :
Maarten Koudijs
Traces of War
A.R.G.A. - Aircraft Research Group Achterhoek
Met speciale dank aan :
Bernhard Deeterink
G.M.J. Gerard Lubbers & Jan Lammers.
Lammershof.nl verleden en heden
Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers
Foto's Evie Koolenbrander
Foto : https://www.hathernhistory.co.uk
Stichting Opdat Wij Niet Vergeten






















.png)

















