Op 29 maart 1945 vonden er hevige gevechten plaats.
Militairen van de Schotse 51ste Highland Division leverden zware strijd met Duitse eenheden die deel uitmaakten van de verdedigingslinie langs de Oude IJssel (Aa-strang) in Voorst. Bij de Plantenweg in Voorst hadden de Schotse Highlanders de boerderij van Belterman ingenomen, waardoor de Duitse soldaten zich steeds verder moesten terugtrekken.
Er stonden echter nog 88mm-kanonnen opgesteld op de erven van de familie op de "Stakenborg", de fam. Stapelbroek en bij de boerderij van Wim Veenink. Op 30 maart trokken de geallieerde troepen richting de Marmelhorstweg. De Korenmolen kreeg hierbij enkele treffers te verduren, omdat de bevrijders daar een Duitse uitkijkpost verwachtten. Verschillende boerderijen gingen door het oorlogsgeweld in vlammen op en veel vee ging verloren.

Bij de boerderij van Wim Veenink brak bij de Flak-Abteilung paniek uit. Albert Matzner en een aantal soldaten koppelden hals overkop het 88mm-kanon achter een rupsvoertuig. De middelzware Duitse halftrack vluchtte met de soldaten weg over de Marmelhorstweg in de richting van Sinderen.
Vanaf Dinxperlo rukte het 12th Battalion King's Royal Rifle Corps via de Terborgseweg op richting Bontebrug en Silvolde. Het 4th/7th Royal Dragoon Guards bood hierbij ondersteuning. Toen een Shermantank van deze eenheid over de Marmelhorstweg een middelzware Duitse halftrack met een 88mm-kanon zag rijden, opende de bemanning vanaf de Terborgseweg het vuur. Een voltreffer!
De Zugkraftwagen met het kanon explodeerde; de bemanning was volstrekt kansloos.
Ondertussen op boerderij (Evertshuis) van familie Seesink ....
In de laatste week van maart 1945 was de situatie in de omgeving uiterst onrustig. Het gerucht ging dat de 'Tommies' in aantocht waren. Er vonden veel verplaatsingen plaats van hergroeperende Duitse soldaten die stellingen innamen om de oprukkende geallieerde troepen tegen te houden. Door het geallieerde luchtoverwicht konden Hawker Typhoons en Spitfires ongehinderd aanvallen uitvoeren op Duitse stellingen en troepenbewegingen. Door de voortdurende granaatbeschietingen en luchtaanvallen schuilde het gezin Seesink, samen met een aantal Duitse soldaten, in de kelder.

Dochter Dina, op wie de gebeurtenis een traumatische indruk heeft gemaakt, vertelt:
Vader realiseerde zich plotseling dat ons paard nog in de wei liep, vertelde een van de kinderen later. Hij rende samen met Jan Brinkers, een politieman die bij ons op kamers woonde, naar buiten om het dier naar binnen te halen.
Een klein eindje verderop werd een Duits voertuig getroffen. Ons paard werd geraakt door een granaatscherf in de hals en overleefde het niet. Vader en Jan konden net op tijd dekking zoeken in de schuur. Gelukkig wisten ze daarna de schuilkelder weer te bereiken. Iedereen in de kelder was doodsbang, inclusief de Duitse soldaten die er hun toevlucht hadden gezocht.
Opdat moment werd er een Duitse soldaat de kelder binnengebracht. Hij was zwaargewond, had vreselijke dorst en huilde om zijn moeder. Moeder maakte een wekfles met kersen open en gaf de soldaat wat kersensap te drinken. Hij zag er nog zo jong uit. Het jonge soldaatje redde het echter niet en stierf in de kelder van de boerderij.
Toen de familie na de gevechten uit de schuilkelder kwam, zag vader op de Marmelhorstweg, in de richting van Engbergen, het wrak van een voertuig liggen. Hij dacht dat het om een tank ging die daar stukgeschoten was. Later kwamen er EHBO'ers aanlopen met ladders waarop de lichamen van gesneuvelde Duitse soldaten lagen. Het was een gruwelijk gezicht; de lichamen lagen in stukken op de ladders en een van de soldaten miste zelfs zijn hoofd.
De gesneuvelde bemanningsleden van de Flak-Abteilung:
• Adolf Sonnenburg (22 jaar)
• Helmut Steffen (22 jaar)
• Hermann Keller (33 jaar)
• Kurt Quassowsky (30 jaar)
• Albert Matzner (36 jaar)

Paul Beyer
Bijna vijf jaar later, op 12 januari 1950, ontving Johan Seesink een brief van Paul Beyer uit Leipzig. Beyer had via de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge het adres van Johan Seesink verkregen. Er was hem destijds verteld dat zijn zoon, Horst Beyer, op 27 maart 1945 bij H.Seesink in Groot Breedenbroek was omgekomen en daar in een veldgraf was begraven.
Paul Beyer en zijn vrouw hadden na al die jaren van onzekerheid nog een stille hoop gekoesterd dat hun zoon Horst de oorlog toch had overleefd. Op 7 oktober 1949 werden veel gesneuvelde Duitse militairen echter uit hun veldgraven overgebracht naar de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn.
Bij deze herbegrafenis en de daarop volgende identificatie werd duidelijk dat Horst Beyer niet bij Seesink aan de Marmelhorstweg was omgekomen, maar bij de Tulenbrug in Voorst.
Zijn veldgraf lag 25 meter tennoordwesten van de Tulenbrug.


"Overlijdensdata uit deze periode kloppen vaak niet. Toen de gemeente Gendringen een jaar na de bevrijding de overlijdensakten opmaakte, noteerde ze regelmatig een willekeurige datum. De datum van 29 of 30 maart is daarom zeer aannemelijk."
Bron:
Maarten Koudijs
Met dank aan :
De familie Seesink
De J.G.Veenink
Jos Wieskamp
Bernhard Deeterink
Foto : Evie koolenbrander
















.png)












