Edwin vertelt:
Al vlak vóór de uiteindelijke crash wist staartschutter Edwin Ronald McCunnell de brandende bommenwerper via zijn geschutskoepel (turret) te verlaten.
Op het zelfde moment kwam ik vast te zitten met mijn voet en slingerde ik als een lappenpop achter het vliegtuig aan. Ik raakte bewusteloos. Het volgende wat ik mij herinner is dat ik op een akker lag met een gebroken been, net over de grens bij Gendringen.

Een jager vond Edwin en nam hem onder schot met zijn jachtgeweer. De gewonde staartschutter werd vervolgens naar een plaatselijk café gebracht: De Pannebecke, gelegen tussen Gendringen en Anholt.
De noodlanding
Ondertussen vloog de bommenwerper onbestuurbaar verder. Rond 02:00 uur zagen de broers Jan en Ben Belterman het toestel al brandend en laag overvliegen vanwege het luchtalarm. Om exact 02:35 uur scheerde de bommenwerper rakelings over het dak van de familie Van Balveren. Marinus Johannes van Balveren schreeuwde in paniek naar zijn vrouw dat ze plat op de grond moest gaan liggen met hun eenjarige zoontje Nico. Nog geen seconde later plofte het enorme toestel met veel te hoge snelheid op de akker direct achter hun fietsenwinkel.

De bommenwerper gleed met een enorme vaart door en crashte vlak voor de Oude IJssel tegen een opgebaggerde hoop klei en zand, vlak naast het melkvonder achter de Antoniuskerk. Het toestel brak hierbij in tweeën. Drie bemanningsleden kwamen direct in de vlammen om het leven, terwijl vier anderen de crash overleefden. Een van hen was piloot Basil Christopher Wordsworth.
Piloot Basil Christopher Wordsworth vertelt:
Het bleek dat we tegen de dijk botsten en dat de achterkant van het vliegtuig omhoog kwam. Hierdoor werd ik gelanceerd door de perspex ruiten. Ik verwondde mijn hoofd en verloor het bewustzijn toen ik de grond raakte. Het volgende dat ik me herinner, is dat ik door het graan strompelde met de hulp van een fors gebouwde man die mijn pijnlijke hoofd beneden het graan verborgen hield. Ik verloor opnieuw het bewustzijn.
Toen ik weer bijkwam, lag ik op een tafel. Een hoofdwond was gehecht, mijn laarzen waren uit en een meisje verwarmde mijn voeten met een elektrisch apparaat. Een dokter in een witte jas onderzocht me terwijl twee Duitsers met geweren naast de tafel stonden. Een Nederlandse politieagent vertelde dat hij me had getackeld en me had vastgehouden, omdat de Duitsers me anders hadden neergeschoten. Ik hoorde de dokter en de agent praten in het Nederlands. Omdat Nederlands op Afrikaans lijkt, vroeg ik in die taal wat er van mijn bemanningsleden terecht was gekomen. De dokter vertelde me dat er maar drie overlevenden waren en dat één van hen was overleden aan ernstige brandwonden. Ik was compleet radeloos.

Eerste hulp en de chaos in de nacht
Direct na de klap renden de broers Belterman door de donkere weilanden en over sloten naar het brandende wrak. De situatie ter plekke was uiterst verwarrend: overal ontplofte munitie en er liepen overlevende vliegeniers rond. Twee mannen in haastig aangetrokken incomplete Duitse uniformen probeerden de piloten mee te nemen. Hoewel Jan Belterman overwoog de piloten te laten onderduiken in zijn ouderlijkhuis., was het risico door de vele toegestroomde toeschouwers te groot.

Samen met hun schoolvriend Chiel Kunst besloten de broers een van de gewonde piloten te voet naar het dorp te brengen. Tijdens deze wandeling van 500 meter deed de piloot zijn polshorloge af en gaf dit aan Chiel Kunst, vermoedelijk om te voorkomen dat de Duitsers het bij zijn gevangenname zouden roven. Terwijl ze wegliepen, hoorden ze vanuit het brandende wrak nog driemaal luid “Roger,Roger, Roger!” roepen. De broers leverden de vliegenier uiteindelijk af in de wachtkamer van huisarts dokter J. Ris. Wat er daarna met het horloge is gebeurd, blijft een raadsel; Chiel Kunst overleed zo'n dertig jaargeleden en zijn nabestaanden konden zich er niets van herinneren.

Onder de overlevenden die zich in de chaos uit de voeten wisten te maken was Flight Engineer Roger Pallant. Hij wist aanvankelijk te ontkomen.
Flight Engineer Roger Pallant vertelt:
Het volgende wat ik mij herinner, is dat ik werd weggedragen naar een maïsveld waar ik vier dagen werd schuilgehouden. Ik had ernstige brandwonden aan mijn handen, maar een bejaarde Nederlandse man – die ik mijn overlevingspakket had gegeven – hield me in leven met koppen soep. Na vier dagen waren mijn brandwonden zo ernstig dat ik werd overgedragen aan de Nederlandse politie.
Mijn conditie was zo slecht dat ik vervolgens aan de Duitsers werd overgedragen voor medische hulp. Bij vliegbasis Deelen aangekomen ontving ik een zeer goede behandeling van de Duitse soldaten. Na mijn ontslag uit het hospitaal werd ik naar Amsterdam gestuurd en elf lange verschrikkelijke dagen ondervraagd.
Ik belandde tenslotte in Dulag Luft als krijgsgevangene.
Het eerste krijgsgevangenenkamp (POW-kamp) van Roger Pallant was Stalag 321, dat net ten oosten van de stad Fallingbostel in Nedersaksen lag. In september 1944 werd Roger Pallant verplaatst naar Stalag 357 bij Toruń in Polen. Dit nieuwe kamp werd gebruikt om voornamelijk Britse krijgsgevangenen en krijgsgevangenen uit het Gemenebest te huisvesten. In november 1944 kwamen bij dit kamp vele Britse parachutisten aan die bij de Slag om Arnhem gevangen waren genomen.
Tenslotte kwam Roger Pallant terecht in Stalag Luft IV. In januari 1945 rukten de Russische legers op naar het westen en moesten de krijgsgevangenenkampen worden geëvacueerd. Meer dan 80.000 krijgsgevangenen werden gedwongen om tussen januari en april 1945 onder extreme winterse omstandigheden vanuit Polen, Tsjecho-Slowakije en Duitsland naar het westen te marcheren. Deze tragedie staat bekend als “De Lange Mars” of The Great March West.
Dit resulteerde in vreselijke ontberingen, ziekten en duizenden doden. Uiteindelijk werd Roger Pallant door de Amerikanen bevrijd in Denemarken. Op 4 mei 1945 werd de Duitse capitulatie op de Lüneburger Heide getekend. Roger Pallant kon met een oude vrachtwagen via Brussel naar Engeland reizen. Na enkele weken kwam Roger Pallant thuis in het plaatsje Leighton Buzzard, dat in het Engelse graafschap Bedfordshire ligt.
Opvang in de fietsenmakerij
Omdat Marinus Johannes van Balveren bij de vrijwillige brandweer van Silvolde zat, moest hij direct na de crash naar de rampplek. Zijn werkplaats werd halsoverkop ingericht als eerste opvanglocatie voor de slachtoffers. Niet veel later werd de zwaargewonde Britse boordschutter, sergeant Reginald John Cook, de werkplaats binnengedragen en op de werkbank gelegd. Zijn ogen en handen waren ernstig verbrand en hij klaagde over hevige rugpijn. Dokter Ris verleende direct eerste hulp.
Kort daarna arriveerde ook pater Jacobus Wilhelmus ten Have om de stervende militair bij te staan. De pater, een geboren Silvoldenaar, was die nacht toevallig op familiebezoek.

Terwijl zijn eigen familie in de kelder onder café De Dorsthorst schuilde voor het luchtalarm zocht de pater juist het gevaar op. Omdat hij vloeiend Engels sprak kon hij als een van de weinigen met de gewonde bemanning communiceren. Hij bereidde sergeant Cook zo goed mogelijk voor op een zachte dood. Na een glas gin en wat thee werd de sergeant overgebracht naar het ziekenhuis in Doetinchem, waar de pater tot de vroege ochtend aan zijn zijde bleef.

De berging en het lot van sergeant Cook
Uit het officiële proces-verbaal van A.J. Wiendels blijkt dat de Duitse militairen de bewaking van het wrak die ochtend omstreeks 09:00 uur overnamen. Een Duitse officier verklaarde dat er nog drie lichamen onder de resten van het vliegtuig lagen. In de loop van de middag meldde de burgemeester van Gendringen dat de drie lichamen waren vrijgegeven. De overleden bemanningsleden werden die namiddag van Ulft overgebracht naar de lijkenkelder in Gendringen.

Sergeant Cook werd diezelfde dag nog overgebracht van Doetinchem naar het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. De medische hulp mocht helaas niet meer baten. Uit een latere brief van het Nederlandse Rode Kruis aan pater Ten Have bleek dat Cook op 13 juni 1943 aan zijn verwondingen was overleden. Hij liet een jonge vrouw, Kathleen, en een eenjarig zoontje, Douglas, achter. Hij vond zijn laatste rustplaats op De Nieuwe Ooster begraafplaats in Amsterdam, te midden van drie honderd geallieerde kameraden. Zoals beloofd bracht pater Ten Have zijn vrouw op de hoogte zodra het zuiden van Nederland was bevrijd.

Een eervolle uitvaart in oorlogstijd
Op woensdag 16 juni 1943, om 08:00 uur 's ochtends, werden de drie omgekomen slachtoffers begraven op de Rooms-Katholieke begraafplaats in Gendringen. Een uur voor de ceremonie arriveerden twintig Duitse militairen en een veldprediker die een krans bij zich hadden.
De Nederlandse burgemeester, wethouders, de secretaris en ambtenaren hadden zich volledig in het zwart gestoken, inclusief hoge hoed. Zij wilden hiermee de hoogste eer bewijzen aan de mannen die hun leven gaven voor de vrijheid. Leden van de EHBO droegen de kisten een voor een vanuit het lijkenhuis naar de gezamenlijke groeve, terwijl de militairen het geweer presenteerden. De Duitse veldprediker las hierna herdenkingsgebeden voor. De plechtigheid was eenvoudig en correct, en werd afgesloten met drie salvo's door de militairen.

Uit een brief van 9 juli 1946 van het Nederlandse Rode Kruis blijkt dat Roger Pallant, Edwin Ronald McCunnell en Basil Christopher Wordsworth behouden teruggekeerd zijn in Engeland.
De Halifax is geborgen op 21-22-23-24 juni 1943 door een particulier bedrijf in opdracht van de Luftwaffe. Er is 405,5 uur aan gewerkt en de restanten zijn naar het station van Terborg verladen en naar Utrecht gebracht en bij het Zerlegebetrieb afgeladen.
Opdat wij niet vergeten
Dit zijn de bemanningsleden die tijdens deze tragische nacht hun leven lieten voor onze vrijheid:
- Hugh Telfer Wooldridge (29 jaar) – Wireless Operator / Pilot Officer. Afkomstig uit Brighton, Sussex. Echtgenoot van Molly L. Wooldridge en zoon van Hubert Glazier Wooldridge en Jessie Phillip Wooldridge.
- Frank Oliver (24 jaar) – Pilot Officer Navigator. Afkomstig uit Liverpool. Zoon van Francis en Eva Oliver.
- Edward Thurlow (21 jaar) – Sergeant Bomb Aimer. Afkomstig uit Kilburn, Middlesex. Zoon van Robert en Louisa Thurlow.
- Reginald John Cook – Sergeant Mid Upper Gunner. Afkomstig uit West Bromwich. Echtgenoot van Kathleen Mary Cook en vader van Douglas (overleden aan zijn verwondingen op 13 juni 1943 in Amsterdam).
-
Bron :
Maarten Koudijs
Met dank aan :
Bernhard Deeterink
Julie Fisk
Chris Robbins
Neil Grace
Douglas Cook
Foto's Evie Koolenbrander

















.png)













